Inline-sensoren van de GLAST-serie worden voornamelijk gebruikt voor de inspectie van sterk reflecterende oppervlakken (zoals roestvrijstalen panelen, aluminium platen, gelakte oppervlakken en kunststof folies) en transparante objecten (folies, glasplaten, plexiglasplaten).
Een projectielens projecteert een lijnrooster op een lijnsensor met behulp van het te inspecteren object, dat fungeert als een min of meer optimale spiegel. Transparante objecten worden dicht bij het lijnrooster geplaatst, dat vervolgens opnieuw via een projectielens op een lijnsensor wordt geprojecteerd. In beide gevallen bepaalt de kwaliteit van het object de kwaliteit van het videosignaal op de lijnsensor.
De reflectiemethode werkt onder een hoek van 30° (respectievelijk 45°), waarbij de optische assen van de zender- en ontvangercomponent afwijken van de verticale as. Bij de doorstraalmethode staat het te inspecteren object loodrecht op de optische as van de zender-ontvangeropstelling. In beide gevallen bedraagt de afstand tussen zender en ontvanger ongeveer 135 mm.
Er zijn in beide gevallen drie verschillende lijnroosters beschikbaar: 0.5 m/0.5 mm, 1.0 mm/1.0 mm en 2.0 mm/2.0 mm.
De GLAST-sensor (GLoss And STructure) is onder andere ontwikkeld om het haze behaviour van objecten te inspecteren. Hiervoor wordt een lijnrooster geplaatst voor een homogeen verlicht oppervlak. Een projectielens projecteert dit lijnrooster op de lijnsensor, waarbij het te inspecteren object praktisch fungeert als een spiegel (reflector). Het videosignaal dat aan de ontvangstzijde beschikbaar is, geeft vervolgens informatie over de kwaliteit van de ‘spiegel’, oftewel over de reflectie-eigenschappen van het objectoppervlak.
Wanneer de waasverhouding toeneemt, ‘vlakt’ het videosignaal af, wat ook resulteert in een verandering van het ruimtelijke frequentiespectrum van het lijnrooster dat op de lijnsensor wordt geprojecteerd. Dit betekent dat de hogere frequenties minder aanwezig zijn en dat de amplitudes over het algemeen afnemen.
De GLAST-sensor is in principe een lijncamera die is uitgerust met een regelbare diffuse lichtunit (16 witte LED’s + diffuser + lijnrooster). Het detectiebereik (lijn) bedraagt 20 mm op een afstand van 85 mm van de sensorbehuizing (zie afmetingen) en loopt in de lengterichting van de sensor. Het lijnvormige gedeelte van het te inspecteren oppervlak (ca. 20 mm x 0,5 mm) wordt door de projectielens (ontvangeroptiek) op de lijnsensor geprojecteerd. Het videosignaal dat door de lijnsensor wordt gegenereerd, wordt via geschikte algoritmen in de interne controller van de sensor omgezet in een ruimtelijk frequentiespectrum. Dit betekent dat er een signaal beschikbaar is dat informatie geeft over de waasverhouding van het oppervlak.
Er kunnen tot 5 ruimtelijke frequentiespectra en tot 31 toestanden in de sensor worden opgeslagen. Tijdens het inspectieproces wordt het actuele ruimtelijke frequentiespectrum vergeleken met de spectra die in het geheugen zijn opgeslagen, waarbij het meest vergelijkbare spectrum wordt gezocht. Ook amplitudes, frequenties en harmonische golven worden vergeleken.
Met behulp van het te inspecteren oppervlak (objectoppervlak) wordt het lijnrooster in de richting van de projectielens gereflecteerd en via de projectieoptiek op de lijnsensor geprojecteerd. Het videosignaal van de lijnsensor – en daarmee ook het ruimtelijke frequentiespectrum – verandert afhankelijk van de kwaliteit van de ‘spiegel’, oftewel van de reflectie-eigenschappen van het objectoppervlak.












